Topspots Klassiekergespot

Topspots Klassiekergespot

Waar AG op het moment volle toeren draait, houdt KG het rustig waar er toch nog genoeg Bijzondere Bejaarden de straat op gaan. Zo gaat dat ook bij de topspots. Wat minder vaak, maar er is zeker genoeg bijzonders!

Aston Martin DB6

Na de tweede wereldoorlog werd de Aston Martin gekocht door David Brown, die er verder niet meer zo heel veel toe doet maar in casu relevant is in verband met de naamgeving: DB. Het begon met de DB1, waarvan er maar veertien werden gemaakt. Inmiddels zijn we bij DB9, voorafgegaan door de DB8, een conceptcar, en de DB7, een erg succesvol model waarvan de Vantage en de zescilinder in lijn versies de hoofdpunten vormden. De naamgeving ‘DB’ was toen al een hele tijd uit de running geweest, want vóór de DB7 van 1994 rolde de laatste DB met systematische nummering in 1970 van de band! Óók dat was een zes-in-lijn’er, Aston Martin gebruikte V opstelling alleen voor achtcilinders en vanaf de DB7 Vantage dus ook voor twaalfcilinders. De afgebeelde versie is de meest gangbare DB6, er was ook nog een MkII en van beide versies waren er dan nog open versies, bij de DB6 werd de term ‘Volante’ daar pas voor geïntroduceerd. En oh ja, óók nog de Vantages, met meer vermogen.




Citroën DS 21 Le Dandy

Waar de DS en zijn simpelere derivaat genaamd ID verkoopsuccessen waren, was de catalogusprijs van de cabrio’s wel heel erg hoog. Van alle DS’en is 0,1% als zogenaamde Décapotable geleverd! Maar dat is nog niet alles, Chapron bouwde ook nog allerlei curieuze modellen, waarvan deze Le Dandy nog maar een enkel voorbeeld is. Hiervan zijn er enkele tientallen gebouwd, maar omdat Nederland erg goed voorzien is van DS’en is het best mogelijk dat het aantal in Nederland niet eens op één hand te tellen is! Zo stonden er in 2006 bij het Concours d’Élégance paleis het Loo meerdere opgesteld, uitgerust met vertrouwede zwart-witte platen voor en achter.




Facel Vega HK500

Voor deze aparte Franse auto moeten we echter naar het buitenland, België. Óók heel zeldzaam. Niet zo zeldzaam als de Le Dandy, wel zeldzamer dan de DS Décapotable. De auto is voor Francofiele klassiekerliefhebbers een echte droom, niet alleen door de luxe en zeldzaamheid van deze echte Parisien. Franse auto’s hebben namelijk als groot nadeel dat de techniek niet altijd goed is. Daar heeft de Facel geen last van, want voorin ligt Detroit Power. Een V8 van Chrysler drijft de achterwielen aan en niet zo’n beetje! Er was keuze tussen een V8 van 5,9 liter en een met 6,3 liter inhoud, respectievelijk 335 en 360 pk sterk. De auto was groot en zwaar, dus dit was een must. Hoewel, met minder dan 230 km/u kon de gemiddelde Facel-driver ook wel tevreden zijn denk ik. 355 stuks hebben de 'kleine' motor, 482 exemplaren hebben de ‘Big Block’. Volgens officiële terminologie is de 5,9 trouwens ook een big block.




Ferrari 250 Europa

De Ferrari 250 is één van de meest befaamde en uitgebreide series die Ferrari ooit heft gebouwd, zo niet DE meest befaamde. Één van de belangrijkste modellen was de Europa en diens derivaat, de Europa GT, met kortere wielbasis. Nu zijn er niet bijzonder veel van gebouwd, maar het is meer het feit dat dit de eerste productieauto uit de 250 serie is. Dat maakt het zo bijzonder. Van de ‘Lange’ (2.800mm wielbasis) zijn er vijftien afgeleverd als coupé en één als cabriolet. Één van die coupé’s staat in België, overigens staat er een rode op Nederlands kenteken. VonStroke spotte het exemplaar al een hele tijd geleden, moest hem veelvuldig uploaden voor hij tussen KG’s laatste 100 stond en heeft het tot de topspots geschopt!




Ferrari 365 GT 2+2

Wat is de snelste? En de duurste? En de meest succesvolle? Voorspelbare vragen, maar voor de veelal mannelijke spotters is er nòg een erg belangrijke vraag: wie heeft de langste? Of eigenlijk: wie IS de langste? Eerder een vraag om te stellen met betrekking tot een merk als Rolls-Royce. Maar elk merk heeft zo zijn uitschieters. Ferrari heeft óók een langste: De 365 GT 2+2. Nèt geen vijf meter, het scheelt maar twee centimeter. Daarmee is het dus sowieso geen auto om onwijs hard mee door bochten te gaan of eens lekker te scheuren, daar had je de Daytona voor, en later de Berlinetta Boxer. In deze auto konden 4 volwassenen ruim zitten, en dat is opmerkelijk. Veel auto’s die zich voordoen als 2+2 kunnen óf twee kleine kinderen op de achterbank huisvesten, óf één (ik heb zelf een keer achterin een Citroën SM moeten liggen, gedurende een uur), of gewoon helemaal geen. Te weinig beenruimte. Pas bij heel lange 2+2’s begint het er op te lijken.




Ferrari 330 P4 Replica

Hoe is de policy met betrekking tot replica’s op Autogespot en Klassiekergespot eigenlijk? Het beperkt zich op AG tot de Cobra, op KG komt er wel meer langs. Meestal gaat het linea recta de prullenbak in, maar bij een Ferrari moet je altijd even opletten. Die kunnen namelijk net zo goed ècht bijzonder zijn, misschien is er voor deze auto wel een echte 330 opgeofferd. Een 330 GT 2+2 kost bijvoorbeeld ‘niet echt veel’ en is dus geschikt als basis voor een replica van een P4, die op zichzelf wel heel veel waard is. Is het een erg goed gelijkende replica, dan kan deze óók nog erg veel geld opbrengen. De 330 P4 racede aan het einde van de jaren ’60 tegen onder andere Ford GT40’s in onder andere de 24 uren van Daytona, maar de Big Blocks achterin de GT40’s waren genoeg om de nog geen vier liter metende V12’s van Ferrari naar de tweede rang te verwijzen.




Iso Grifo

Wat is de overeenkomst tussen een Facel Vega en een Iso Grifo? Aparte vraag, je zou kunnen zeggen dat ze allebei in m’n eigen lijst met favorieten staan, maar dat is niet het antwoord waar ik naar zoek. Het goede antwoord is dat het allebei Europese exoten zijn met een V8 uit Detroit, een erg interessant concept dat maakt dat exoten uit landen als Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië voorzien kunnen zijn van echt betrouwbare techniek. Zeker Italië staat bekend om fragiele techniek die niet zonder meer ‘ijzersterk’ te noemen is, kijk naar Ferrari’s en Lamborghini’s. Óók konden kleine merken op die manier toch nog modellen bouwen zonder dat het te duur werd, want de motoren hoefden niet opnieuw te worden ontwikkeld en waren goedkoop omdat ze in de Verenigde Staten hun weg vonden naar de massaproductie. Van de Corvette C2 zijn er bijvoorbeeld meer dan 300.000 gebouwd, één van de varianten V8 ging per boot richting Livorno waar ze in Iso’s en Bizzarrini’s belandden. Het blok leverde 304 tot 365 pk (in de GL365), waarmee de auto zich kon meten aan de Daytona en de Miura. Omdat die alsnog sneller waren kwam er later een 7,0 V8, en in heel kleine oplage zelfs een 7,4 V8 met ruim vierhonderd pk!




Lamborghini Miura SV

Eigenlijk zijn alle Lamborghini’s toppers, stuk voor stuk, hoewel de Gallardo inmiddels wel heel erg goed wordt verkocht. Aan de andere kant staan de klassiekers uit een tijdperk waarvan we sowieso niet zo vaak meer auto’s zien en al helemaal geen Lamborghini’s. De Miura is de eerste Lamborghini met middenmotor. Personenauto’s met middenmotor waren sowieso een schaarste in die tijd. De auto doet wat denken aan de Ford GT40, die overigens niet bedoeld was voor op de openbare weg maar vaak genoeg op kenteken staat. Er zijn drie varianten, hoewel de vijf SV Jota’s dan buiten beschouwing worden gelaten. Van de P400 zijn er 474 gebouwd, 350 pk, dan lag er 370 pk in de zeldzaamste versie, de P400 S, waarvan er 140 zijn gebouwd en de afgebeelde auto is één van de 150 Miura SV’s met 385 pk op de achterwielen!




Maserati Indy, inclusief combo…

Maserati’s zijn alweer een stuk minder bijzonder dan Lamborghini’s uit die jaren, tegelijk met de Miura was de Indy op de markt, aan het eind van de sixties en tot in het midden van de seventies. Echt weinig zijn er niet gemaakt, maar het is het vermelden waard, zeker als je ziet wat er voor rijdt. De opmerkelijke achterruit is van een Espada, een duurder en sneller alternatief voor de Indy en ongeveer even succesvol wat betreft productiecijfers. Voorin lag geen V12, maar een V8 die er met verschillende inhouden te krijgen was. Het begon bij een 4,2 liter motor die 260 pk leverde bij een beschaafde 5.500 toeren per minuut, erg weinig dus. Dan was er nog een 4,7 liter motor beschikbaar die 290 pk opbracht en 320 pk uit een 4,9 liter motor. Allemaal motoren die destijds voor nog heel veel andere modellen werden gebruikt.




MG VA Drophead Coupé

Klassiekergespot kent ook primeurs. Geen auto’s waar we in het bijzonder op hebben zitten te wachten, want het gaat niet om modellen die ‘net uit’ zijn, maar eerder modellen die niet massaal worden gespot. De MG VA was me tot een paar dagen terug nog geheel onbekend, maar het is duidelijk familie van de TC en latere derivaten. De auto is óók zo bijzonder omdat hij vooroorlogs is, van 1937 tot 1939 werden er 2.407 VA’s gebouwd als coupé, drophead coupé en sedan. Drophead coupé is een ander woord voor cabriolet of convertible, maar is in de wereld der klassiekers heel gebruikelijk. Voorin ligt een simpele 1,5 liter 4 cilinder die geen heel indrukwekkende prestaties zal leveren, maar zijn werk prima doet als het op touren aan komt. Hier is meer te vinden over deze auto, véél meer, voor de mensen die nog eens willen opzoeken welk type cilinderkoppen ze nodig hebben voor deze auto, bijvoorbeeld.

Reacties op dit artikel