KG Topspots Deel I

KG Topspots Deel I

Omdat er nog maar een redelijk beperkte hoeveelheid kennis wat betreft klassiekers is op Autogespot, is er besloten om – als een regelmatiger alternatief voor KG topspots – een laatste 100 overzicht te geven van de echt bijzondere klassiekers, de oude auto’s die er toe doen. In deze eerste aflevering kun je een indruk krijgen van waar het ongeveer heen gaat en hoe bijzonder de auto’s daadwerkelijk zijn!

AC 3000 ME

Aanvankelijk stond deze auto eventjes op Autogespot, waar iets als dit niet echt veel toekomst heeft. Zoiets past echter perfect op KG, want dit is een ware rariteit! De productie van de AC ‘3 Litre Mid Engined’ uit de eind jaren ’70 en begin jaren ’80 werd de das om gedaan door de tweede oliecrisis. Waar de auto in 1973 werd gepresenteerd, ging de auto sowieso pas in 1979 in productie (!). Het was weer eens een kleine AC, want de voorgaande modellen - de 428 en de Cobra – werden aangedreven door nogal ruim bemeten V8 motoren van Ford. Hier lagen slechts 138 Ford-paarden in, wat de auto niet meer dan ‘redelijk snel’ maakte. Na 106 exemplaren, waarvan zeventien turbo’s, werd de auto in 1984 weer uit productie genomen.




Aston-Martin DB5

Wat is de mooiste uit de hele David Brown reeks? Over smaak valt niet te twisten, maar euro’s zijn wel een vrij goede maatstaf. De DB5 is van alle Aston-Martin serieproducten (one-off’jes, station’s en Zagato daargelaten dus) namelijk de iets kostbaardere. De prijzen van klassiekers zijn de laatste jaren flink aan het stijgen geweest en zo is er 11 juli jongstleden nog een groene DB5 geveild bij Bonhams, voor een bedrag van 144.500 pond! Net zoiets als wat je voor een gloednieuwe DB9 moet aftikken dus, om nog maar te zwijgen over de convertible. Of toch niet. Nee, ik vertel ook gewoon wat die opbracht, 17 mei jongstleden bij Bonhams. 221.500 pond! Van de DB5’s zijn er maar 123 geleverd als convertible, de term ‘Volante’ was toen nog niet ingevoerd.





Aston-Martin DB6 Volante

Ook best prijzig is een DB6 Volante, maar minder dan een DB5 omdat James Bond er nooit mee heeft gereden. Om maar een random argument te noemen. Veel was er niet veranderd, voorin lag bijvoorbeeld nog dezelfde motor met ongeveer evenveel vermogen. Ook van buiten zijn de verschillen voor de leek subtiel, zij het aanwezig. Ook van deze auto kwam de productie niet tot de tweehonderd, maar er werden er wel iets meer van gebouwd dan van de DB5, wat ook gold voor de ‘Saloon’, de coupé dus. Afgebeeld is een MkI, later verschenen er nog eens 38 MkII’s, die voornamelijk verschilden wat betreft de wielkasten, waar nu randen omheen zaten.




Aston-Martin Lagonda Saloon

Het is maar net waar je je fotosessietje van een Phantom Drophead even voor onderbreekt. Waar de redelijk recente cabrio momenteel volop wordt geleverd en dus makkelijk te vinden is in Londen, is een (Aston-Martin) Lagona Saloon een ware rariteit in het Londense straatbeeld. Twintig jaar geleden moeten ze er zonder twijfel regelmatig rond hebben gereden, Londen is hun natuurlijke habitat en in die periode werden ze gebouwd. Deze althans, met twee drievoudige koplampen en zonder pop-up koplampen. Series I, II en III zijn van voor 1987, hebben twee dubbele koplampen, en pop-up koplampen. De auto was niet alleen apart van de buitenkant, maar ook het interieur zat vol met opmerkelijke details, zoals een wel erg merkwaardig instrumentarium. Het was een erg dure auto, 33.000 pond in 1978 en in 1980 zelfs al vijftig procent (!!!) duurder. Er zijn er maar 631 van gebouwd tot het doek viel in 1990.




Bentley S1 Continental Park-Ward Drophead Coupé

Verschillende modellen, verschillende koetsenbouwers, en verschillende uitvoeringen. Op die manier is iets niet zomaar een Bentley S1. Neen, een Bentley S1, met koetsopbouw van Park-Ward en dan een cabriolet. De auto is er ook met dak, die zien we wat meer rijden. Samen vormen ze een populatie van 187 stuks wereldwijd, zelfs in Londen zijn ze nog een stuk moeilijker te vinden dan bijvoorbeeld een Veyron. Er zijn ook nog 217 Mulliner Coupé’s gemaakt, een aantal Mulliner Flying Spurs en een handjevol van Franay, Graber, Hooper en James Young. Samen goed voor 431 exemplaren. De auto wordt aangedreven door een zescilinder van 4,9 liter, die met 160-170 pk net iets meer vermogen levert dan in de Standard Steel, de ‘gewone’ sedan. Daarvan zijn er meer dan drieduizend gebouwd en ze zijn ook lang niet buitensporig duur in aanschaf. Een Continental kan al gauw over de twee ton lopen!




Bugatti T57 Gangloff Cabriolet

Na enige discussie kon worden geconstateerd dat het hier wel degelijk om een ‘echte’ auto ging en niet om bijvoorbeeld een Burton XXL. Wat een belediging zeg. Waarom zou hij anders op een oplegger worden vervoerd. De Bugatti T57 is de meest legendarische personenauto uit het verleden van Bugatti. De T41 ‘Royale’ kon nauwelijks als personenauto worden beschouwd, resterende motoren voor nooit geproduceerde auto’s werden later gebruikt in treinen! en de T35 is wel een legende maar voornamelijk op het circuit. In verband met geluidsnormen was harder dan stapvoets op de openbare weg met iets dergelijks niet toegestaan, zeg maar. Back ontopic, het ging om een erg bijzondere Bug van de eind jaren ’30, een echte Vintage dus, met een dagwaarde die de vraagprijs van een niet al te modale uitvoering van de Ferrari 250 zou kunnen evenaren.




Facel Vega HK500

Waar denk je aan bij een Frans automerk? Excentrisme van Citroën? Zo’n lelijke grote smoel van Peugeot? Een Renault Clio V6? De echte AG’ers denken waarschijnlijk aan een Venturi of Mega Track, de echte rariteiten, maar bij de KG’er schieten er merken te binnen zoals Bugatti, Delage, Delahaye en Facel Vega! Het is iets waar je van moet houden, je vindt het fantastisch of vreselijk want de auto is redelijk sterk beïnvloed door de Amerikaanse designfilosofie, gecombineerd met eigenwijze Franse trekjes. Een voordeel is de Detroit-Power voorin de auto, een degelijke V8 van 6,3 liter, goed voor 360(!!!) pk. Net zoveel als voorin een C55 AMG, om maar even een recenter geproduceerde snelle auto te noemen. Aan begrenzers deed men toen nog niet, maar dat is met een topsnelheid van 230 km/u ook nog echt nodig. Hoewel... Het had Albert Camus misschien wel goed gedaan, want die vond zij Waterloo tegen een boom, net als zijn Facel…




Ferrari 365 GTS/4 ‘Daytona Spyder’

Issie echt, issie echt? Dat is vaak de vraag bij dergelijke auto’s, maar voor dit exemplaar is het geverifieerd. Dit exemplaar is oorspronkelijk geleverd zonder dak en dus één van de 123 exemplaren. Dat is nog geen 10% van de totaalproductie! De dichte versie is al erg veel waard, de open versie kost net zo veel als de meest extreme snelheidsmonsters van het moment. Zeven tot negen ton in dollars zijn concrete cijfers van recente veilingen, met zoveel geld kun je ook best bij Horacio Pagani aankloppen. Het is maar net wat voor auto’s je het liefste hebt, een Zondaatje is net zo zeldzaam en draait ongeveer drie keer zo veel koppen. De auto is uitbundiger behandeld in dit item.




Ferrari 512 BB

In negatieve chronologische volgorde gaan we terug in de tijd. We leven in 2008, een jaar waarin de Ferrari 599 GTB Fiorano als ‘V12 Ferrari niet-2+2’ wordt aangeboden en nog goed wordt verkocht ook. De auto volgt in wezen de wat meer als GT ingestelde 550/575 serie op, die weer een vervolg waren op de wat Spartaansere 512M/512TR/Testarossa. Dat zijn de meest recente verwanten van de Ferrari 512BB, die ook niet echt als een cruiser kan worden beschouwd. De auto volgde de 365 GT/4 BB op, die nog de ‘kleine’ 4,4 liter motor uit onder andere de ‘Daytona’ onder de klep had. Het 4,9 liter blok had niet echt veel méér vermogen dan de 4,4, maar wel een betere koppelkromme. Tevens was de auto wat fijner te rijden door de lagere toeren die de motor maakte – 6.200 rpm in plaats van 7.000 voor het maximum vermogen – en de gewijzigde overbrengingsverhoudingen in de versnellinsbak.




Ferrari Dino 246 GT

Het is niet de meest zeldzame verschijning zonder paard – maar een apart Dino-logo! - op de neus, maar wel het melden waard omdat een klassieke Ferrari altijd iets aparts is. Een bijzondere klassieker is al leuk, en zeker van zo’n legendarisch merk. De Dino was een model dat gebouwd werd om F2 wagens te kunnen homologeren, raceauto’s met een kleine motor. Met die kleine motor moesten minstens 500 auto’s worden uitgerust, wat samen met Fiat lukte. Van de 2,0 V6 werden maar 152 Ferrari Dino’s voorzien, maar wel bijna vijfduizend Fiat’s. De grotere 2,4 liter motoren liepen bij de Ferrari beter, want ruim 3.700 Ferrari’s werden hiervan voorzien, waarvan een derde deel met targadak. Destijds was de kleine Ferrari een stuk goedkoper dan de V12’jes, maar tegenwoordig moet je nog erg veel geld ophoesten voor een Dino. Honderdduizend euro om mee te beginnen, bijvoorbeeld.

Reacties op dit artikel


Stem nu voor de spot van de dag