“Mag ik ook mee?” vroeg hij met een grappende toon aan me. “Natuurlijk, hij vindt het geen probleem om nog iemand mee te nemen.” antwoordde ik gemeend. Deze dialoog vond zaterdagmiddag midden in een redelijk goed gevulde P.C. Hooftstraat plaats, één dag vóór ik mijn camera en volledige aandacht op een M3 zou gaan richten, op een geschikte locatie. Een E92 die niet meer helemaal standaard was, en deze week nóg potenter wordt.
Maar eerst besteedden we – Willem, AG’s kleinste spotter, was ook uitgenodigd – aandacht aan een voor Uilenstede geparkeerde Lotus Elise, later aangevuld met een Cadillac, lijkend op zo’n heerlijk roze autodropje. Al spoedig werd ik geattendeerd op een BMW M3 in de verte, zelf nog verzonken in een korte shoot met de gigantische Amerikaan. Cadillac Sedan de Ville, 1960, één jaar na het vleugel-hoogtepunt. Meteen gaat mijn aandacht naar Frank en zijn aangepaste M3. Net zoals zijn voormalige M6 zit er een lip onder de voorbumper van Hamann, daarnaast is de auto voorzien van een set erg mooie velgen – lijkend op de oorspronkelijke, maar een stuk mooier. De zijspiegels zijn belegd met het schitterende koolstofvezel, net zoals het dak fabriek-af al mee heeft, en het uitlaatsysteem is aangepast, wat 10 pk extra vermogen levert. Om het af te maken staat de auto vóór 20 mm lager en achter 15mm. Deze week wordt het motormanagement aangepast, wat nòg eens 25 pk extra levert. 455 pk in totaal dus! Tot zover de customizations van deze M3.
Om te beginnen dirigeer ik Frank naar de parkeerplaats naast de Elise, gelukkig nog steeds vrij. Jazeker, een combo van twee erg snelle auto’s recht voor een studentenflat, dat maak je niet vaak mee. Op de achtergrond is een vermoeden van een enorme Cadillac te zien, maar het is de moeite niet waard om die erbij te pakken. Onderzoekend wandelen we om het duo heen op zoek naar een prooi: een interessante sectie van de auto. Maar er is niet veel ruimte voor.
Dan schiet me het lumineuze idee te binnen om de auto van boven te bekijken. De auto wordt weer uitgeparkeerd en op een stuk asfalt in de buurt gedeponeerd, ik pak de lift richting mijn kamertje en wandel naar het balkon, bewapend met een indrukwekkende brandpuntsafstand. Vanaf de negende verdieping kom je namelijk niet erg ver met een 28-70. Maar nu, de auto staat nog niet waar ik hem wil hebben, schreeuwen heeft geen zin, het wordt een korte-afstands telefoongesprek om de auto op de juiste plaats te krijgen. Dit herhaalt zich nog een keer, ik probeer zo veel mogelijk van de auto vast te leggen maar houd wel even in de gaten dat we binnenkort maar eens naar onze locatie moeten.





Beneden aangekomen stap ik in en rijden we naar de locatie. “Waar gaan we heen?”. Ik antwoord dat ik woensdag op de fiets ben gestapt om een zo origineel mogelijke locatie aan de Amstel te vinden. “Bij die molen zeker hè?”, en dat zeiden ze dan ook allebei.. Origineel of niet, het blijft een geschikte locatie voor Amsterdamse begrippen. Pas een halve kilometer verderop zijn de dichtstbijzijnde huizen te zien en met een beetje timing heb je geen last van voorbijrijdende fietsers op de achtergrond. Ik had er woensdag niet echt bij stilgestaan dat het er zou stikken van de fietsers, maar gelukkig hoefden we de M3 niet op een vozend stelletje te parkeren. Het gras was vrij en Frank parkeerde de BMW op mijn commando zo dat de auto goed in het zonlicht stond. Meestal erger ik me dood aan felle zon vanwege al het tegenlicht, ongewenste contrast, overstraling, en reflecties, maar als je even kan vragen of de auto verplaatst kan worden is er niets aan de hand. Okee, totdat je lenzen ophouden met scherpstellen, zoals zo-nu-en-dan het geval was. De auto werd nog een paar keer opnieuw geparkeerd zodat de juiste secties het juiste licht kregen. Na anderhalf uur was de inspiratie een beetje op, echt veel zin in interieurfotografie heb ik niet meer en het is ook niet spannend genoeg om creativiteit bij me op te wekken. Of toch wel…?
We reden weg van de locatie om nog even te touren in de omgeving en een stuk snelweg mee te pakken. Met maar één doel. De eerste keer werd het een waas, ik had het kunnen weten. Bij die snelheden moet je nou eenmaal een korte sluitertijd hanteren. Het idee was om de topsnelheid vast te leggen, wat op den duur probleemloos ging. Boven de 240 km/u was er niet veel ruimte meer over voor acceleratie, de randstad is erg druk en de linkerrijstrook is óók al druk bezet. Maar op een gegeven moment lukt het om wat hoger op te komen, via een invoegstrook die nauwelijks wordt gebruikt. Ik zit ‘aan de buis gekluisterd’, diafragma open, alvast scherpgesteld op de tachometer, terwijl ik voel dat elke seconde 70 meter door de banden wordt opgegeten, direct daarna weer ontlast door de achterbanden. Hij wordt geprent op 266 km/u, maar niet door een paal. Mijn Pentax is in casu sneller, óók weer een geheel nieuwe ervaring. De rit loopt op zijn einde en we naderen de flat, waar de andere twee noemenswaardige auto’s nog steeds staan. Beide interessant, beide op een manier minstens net zo aandachtstrekkend als de M3. Maar in één opzicht moeten ze beide in het stof bijten. En dat is op de laatste foto te zien.

























